Martha Cooper
Door: Job de Wit
Gepubliceerd: gisteren 22:20
Update: gisteren 22:21
De overzichtstentoonstelling Mar-tha Cooper 1958-2008: a Fifty Year Retrospective laat zien hoe de fotografe wereldomvattende etnografische verbanden legt.
Twee jongens liggen te slapen op een bankje in een metrostel dat is volgekalkt met graffiti. Zijn het scholieren na een vermoeiende schooldag? Maar ze zijn de enigen in deze coupé en het ochtendgloren straalt door de raampjes naar binnen. Deze kids hebben er een lange nacht op het rangeerterrein op zitten, waarschijnlijk hebben ze uren gewerkt aan een enorme piece op de buitenkant van de wagon. Halverwege de jaren tachtig maakte het New Yorks openbaarvervoerbedrijf definitief korte metten met de activiteiten van de jonge graffitischrijvers die hun kunstwerken het liefst door de hele metropool zagen rijden.
De foto waarop het hierboven beschreven tafereel te zien is, is zo’n dertig jaar geleden gemaakt door Martha Cooper, indertijd staffotografe van de New York Post. In hiphopkringen is deze al wat oudere witte dame een klinkende naam sinds ze met het fotoboek Subway Art (1984) de prille scene in beeld bracht. De overzichtstentoonstelling Martha Cooper 1958-2008: a Fifty Year Retrospective, vorige week geopend in Amsterdam, laat zien dat ze nog veel meer heeft gedaan dan artistieke spuitbusboefjes vastleggen.
De fotojournaliste Martha Cooper is niet op zoek naar hard nieuws, maar kijkt naar wat de gewone mensen in de stad – New York met name, maar er zijn foto’s uit alle continenten behalve Australië te zien – van hun omgeving maken. Opvallend vaak zijn het kinderen en tieners die ze in beeld krijgt. Hun omgeving heeft vaak ogenschijnlijk niets te bieden. Het New Yorkse stadsdeel The Bronx oogt in de jaren zeventig als een oorlogsgebied. Er is niks, op één foto, behalve een heel hoog hek en daar zijn dan een dozijn kids in geklommen om te spelen. De gebouwen op de achtergrond zijn uitgebrand.
Cooper, die in de jaren zestig nog een jaar etnografie studeerde in Oxford en daarna stage liep bij National Geographic, moet uren met haar camera door achterstandswijken hebben gezworven. De straatarme getto-kids op haar foto’s hebben geen idee dat ze bezig zijn de fundamenten te leggen voor een wereldwijde subcultuur annex miljoenenindustrie: hiphop. Ze hebben lol met elkaar en laten de wereld zien dat ze er zijn.
Het is niet moeilijk om tussen de driehonderd foto’s die in Studio Apart hangen (een aantal exclusieve afdrukken is te koop) overeenkomsten te zien met de ‘volkskunst’ die Cooper óók voor de camera heeft gehad: tatoeages in Japan, bloementapijten in Guatemala, jongetjes in Kameroen die van ijzerdraad en een stuk hout een speelgoedautootje en een ‘brommer’ hebben gemaakt. De muurschilderingen in het Noord-Ierse Derry (de tekst ‘68 – ’99 Nothing has changed’ met een militair en een politieman die een naakte man in elkaar slaan) zijn al wat grimmiger en de weinig artistieke bende-graffiti uit Baltimore is in zijn cryptische formuleringen zelfs doodeng.
Dat zijn uitzonderingen, net als de fotoserie uit 1988 over het Surinaamse jungle-commando van Ronnie Brunswijk, een van de zeldzame bekende gezichten aan de muur. Maar ook hij probeert van niets iets te maken. Die kernwaarde van de hiphop vindt in Coopers werk een universele weerklank.
bron: De Pers www.depers.nl door Job de Wit

